Rene Vermeulen: ‘Ik, eigen baas? Dat klinkt nog steeds een beetje raar. Wel stoer, eigenlijk!’

Verhalen / Culinair
Rene Vermeulen van 't Spuihuis

Als je Rene Vermeulen (30) vroeger had verteld dat hij nu eigenaar van een kwalitatief goed restaurant zou zijn, had hij je uitgelachen. Dat stond niet in zijn toekomstvisie. Toch werd hij ruim een jaar geleden, samen met zijn geliefde Astrid (31), eigenaar van ‘t Spuihuis. “Ik, eigen baas? Dat klinkt nog steeds een beetje raar. Wel stoer, eigenlijk!”

Zijn toekomstdroom was grafisch vormgever worden. Als klein jochie al was Rene dol op tekenen. “Klinkt braaf, he? Ik was ook nooit echt een vervelend joch. Ik klom wel in bomen en heb heus wel eens wat gestolen. Maar daar had ik dan ook direct buikpijn van. Verder was ik gewoon een heel blij en sociaal ventje, nu nog.” De kunstacademie in Antwerpen werd na de middelbare school zijn thuishaven. “Mijn vader werkte op dat moment voor een groot accountancybedrijf in Halsteren. Op een zeker moment werd dat verkocht en startte hij zijn eigen restaurantje op de Grote Markt in Bergen op Zoom. Ik mocht er mijn bijbaantje van maken. Maar mijn vader had geen kaas gegeten van de restaurantwereld en dus strandde het niet veel later in een faillissement. Ik had daarentegen gemerkt dat ik het restaurantwezen leuk vond en besloot de kunstacademie in te ruilen voor de hotelschool. Als nieuw bijbaantje kon ik bij ‘t Spuihuis terecht. Twee jaar heb ik het op school volgehouden. Boeken zijn gewoon niet zo aan mij besteed. Ik wil werken, dingen doen.”

Het was 2005 toen Rene zijn intrede deed bij ‘t Spuihuis, als afwasser. Hij was 16 jaar. “Er heerste altijd een goede sfeer in het team, ik had onwijs veel plezier in het werk. Steeds als er een personeelslid vertrok, probeerde ik een stapje omhoog te klimmen. Al op mijn 21e was ik chef-kok. Eigenlijk geen leeftijd om chef-kok te zijn natuurlijk.” Rene kijkt bedachtzaam en begint zachtjes te lachen. “Als ik nu gerechtjes terug zie van toen, kan ik mezelf wel slaan. Wat een niveau… In negen jaar als chef-kok ben ik veel verfijnder gaan werken. Nu pas heb ik echt het gevoel dat het goed is wat ik doe. De fundering ligt eindelijk op z’n plek.”

Al op mijn 21e was ik chef-kok. Eigenlijk geen leeftijd om chef-kok te zijn natuurlijk

Het gebeurde tevens op zijn 21e levensjaar dat de vonk oversloeg voor Astrid, die in de bediening werkte in het restaurant. “In eerste instantie was de baas er niet blij mee, zo’n setje op de werkvloer. Maar al snel zag hij dat het werkte tussen ons. We waren een goed team. Toen hij ons vroeg of we de zaak wilden overnemen, twijfelden we geen moment. Ik wist al langere tijd dat ik iets voor mezelf wilde beginnen, een eigen zaak, maar ik voelde ook een zekere angst om ‘t Spuihuis te verlaten. Ik had er altijd die jaren zoveel plezier beleefd. Dit was dus de perfecte oplossing.”

In december 2016 tekenden Rene en Astrid voor de overname van ‘t Spuihuis. “We hadden op den duur best wat andere visies dan de vorige eigenaar, dus we hebben meteen wat nieuwe ideeën doorgevoerd. Dat was soms wel even spannend, want er bleef niet veel geld over aan het eind van de maand. Maar goed, dat konden we aan. Ik vind het erger dat een saus niet lekker smaakt, dan dat de financiën even krap zijn.”

Innovatief zijn Rene en Astrid dan ook zeker, al noemt hij het zelf eerder wispelturig. “Ik vind altijd alles leuk, wil teveel en ben altijd van mening dat alles beter kan. Dat resulteert dan in leuke, nieuwe dingen. Zo starten we in mei met ‘Restaurant op ‘t land’, onze grootste beproeving tot dusver. We willen met dit pop-up restaurant in de buitenlucht gaan koken voor zo’n 200 mensen per dag, met de asperge in de hoofdrol. Dat gaan we drie weken doen, naast ons reguliere restaurant, de catering die we verzorgen en andere evenementen waar we staan. Ja, soms moeten we ervoor waken dat we onszelf niet verliezen in het werk. Maar daar zijn Astrid en ik juist zo’n goed team voor. We helpen elkaar, adviseren elkaar, maar lopen elkaar niet voor de voeten. Op dit moment zijn we beiden heel gelukkig met waar we staan.”